Voor de 52 weken van het jaar heeft Rudolf Steiner spreuken gegeven. Die volgen de gang van het jaar, door de seizoenen, in het gematigde klimaat benoorden de evenaar. Ze beschrijven de verhouding van de mens tot zijn natuurlijke omgeving. Hoe de mens als microkosmos zich verhoudt tot de macrokosmos komt in deze 52 weekspreuken exact tot uitdrukking. Steiner gebruikte woorden uit de Duitse taal. Ieder woord staat op zijn plaats, daarom zijn de spreuken eigenlijk onvertaalbaar. Toch zijn ze over de hele wereld in tientallen talen beschikbaar.

Voor dit hoofdstuk heb ik vier weekspreuken uitgekozen, waarin het wereldwoord, de logos wordt benoemd. Twee uit de zomer en twee uit de winter. 

Kersttijd, eind december.

De geboorte van het Kind, dat in zijn leven op aarde representant zal worden van het wereldwoord. Het kind, met wie weer hoop in de wereld komt.

Alles in de ‘grote wereld’ is ook in mijn ‘kleine wereld’ te vinden. Dus ook de geboorte van het Kind. Ik moet dan wel op zoek gaan in een heel bepaald deel van mijn binnenwereld: het goddelijke, oorspronkelijke deel. Als ik dat gevonden heb, hervonden heb, weet ik me direct verbonden met de verten van de grote wereld. Als je deze spreuk leest kan je vermoeden dat het hart iets te maken heeft met de kersttijd. Weliswaar is het buiten donker, maar in de binnenwereld kan het stralend licht zijn. Het licht dat in veel kersttafereelschilderijen uit de kribbe straalt, het licht waar de herders en de koningen op afkwamen, is dat misschien het licht dat het hart uitstraalt?

Ich fühle wie entzaubert
Das Geisteskind im Seelenschoß;
Es hat in Herzenshelligkeit
Gezeugt das heil’ge Weltenwort
Der Hoffnung Himmelsfrucht,
Die jubelnd wächst in Weltenfernen
Aus meines Wesens Gottesgrund.

Onttoverd voel ik het kind van de geest
In de schoot van mijn ziel
In de helderheid van mijn hart
Heeft voortgebracht het heilige wereldwoord
De hemelse vrucht van de hoop,
Die jubelend wereldverten ingroeit
Uit de goddelijke grond van mijn wezen.

Midzomer, tweede week van juli

De omgekeerde wereld lijkt het wel. In de buitenwereld is het licht en warm, de natuur zindert van aanwezigheid. Maar al te graag ga ik op in de geuren en kleuren, in de belevenissen van mijn zintuiglijke wereld. De prijs daarvan is, dat ik mijn goddelijke grondslag, mijn eigenlijke wezen kwijtraak. De troost is, dat je die in de hoogzomer in de natuur buiten kunt vinden. Weliswaar ingetoverd, maar toch. De objectiviteit van de natuurlijke wereld om mij heen schenkt me kracht. Want ik ben te diepste verwant met die wereld.

Ich fühle wie verzaubert
Im Weltenschein des Geistes Weben:
Es hat in Sinnesdumpfheit
Gehüllt mein Eigenwesen,
Zu schenken mir die Kraft,
Die, ohnmächtig sich selbst zu geben,
Mein Ich in seinen Schranken ist.

Ik voel me ingetoverd
In de schijnwereld van het weefwerk van de geest
In de dofheid van de zintuigen
Is mijn eigenlijke wezen verhuld,
Om mij de kracht te schenken
Waartoe mijn ik in zijn beperkingen
Zelf niet bij machte is.

Adventstijd. Begin december,

De tijd waarin we de geboorte van het Kind naderen is de meest geschikte tijd om je af te vragen of het werk dat je verricht nog voldoet aan de hoge standaard die je jezelf gesteld hebt. Is het juist, dat wat je doet, in het licht van de geest? Van binnenuit klopt het wereldwoord, eigenlijk de ‘grote wereld’, aan de poort van je bewustzijn. Het stelt de vraag: ben je bereid om je vermogens in dienst te stellen van het wereldwoord? Het woord offeren is in deze spreuk genoemd. Dat geeft de heiligheid van de adventstijd aan. Offeren is niet opofferen. Het is niet vernederen, maar meer jezelf worden.

In meines Wesens Tiefen spricht
Zur Offenbarung drängend
Geheimnisvoll das Weltenwort:
Erfülle deiner Arbeit Ziele
Mit meinem Geisteslichte,
Zu opfern dich durch mich.

In de diepten van mijn wezen spreekt
Het wereldwoord, dat op raadselachtige wijze zich wil openbaren:
Doordring de doeleinden van je werk
Met mijn geesteslicht,
Zodat je je door mij heen kan offeren.

De manier waarop Rudolf Steiner met de taal omgaat in de 52 weekspreuken kan mijns inziens iets zeggen over de toekomst van het spreken. Hij maakt met woorden het verband duidelijk tussen de geestelijke oorsprong van de schepping en die van de mens. Dat is in feite een christelijk principe. Niet een kerkelijk principe, maar iets dat alle mensen aangaat. Als je ervan uitgaat, zoals dat in de antroposofie duidelijk gemaakt wordt, dat we als mensen met elkaar wezenlijk verbonden zijn doordat we aardeburgers zijn, zijn we dus allemaal verbonden met de afbrekende krachten, maar ook met de verjongende, vernieuwende krachten die in de aarde werken. In deze visie draagt het scheppende wereldwoord, de logos, zijn taak geleidelijk aan over aan de mens. Die wordt mede-schepper van de werkelijkheid. De realiteit daarvan kunnen we dagelijks ervaren als we over het milieu horen en over de dingen die mensen elkaar aandoen.

De ‘kleine god op aarde’, zoals Goethe de hoofdpersoon in zijn Faustdrama noemt, zal dus op z’n woorden moeten passen. Zijn woorden hebben een werking en krijgen steeds meer werking.

Eind juli, de zomer is over zijn hoogtepunt heen.

Opnieuw is het het wereldwoord dat spreekt. Wekenlang heb ik me in het licht en de warmte van de zomer vol kunnen drinken met de geuren en kleuren, met de volmaaktheid en de schoonheid van de geschapen, natuurlijke wereld. Op een dag zal ik ontdekken dat ik van gelijke aard en oorsprong ben als die wereld. Namelijk op de dag dat je al die zintuigindrukken hebt waargenomen, als je ze helemaal beleefd hebt en tenslotte in de diepte van de geest hebt binnengebracht. Wat zijn Geistestiefen in hemelsnaam? Ik probeer het zo te begrijpen, dat je al die indrukken hebt verteerd, vergeten, opgenomen in je stofwisselingssysteem. Alles wat je echt goed afgebroken hebt kan immers herboren worden in je eigen stoffelijke binnenwereld. Je bent niet wat je eet (Man ist was man ißt) maar wat je hebt kunnen afbreken en op een individuele manier hebt kunnen opbouwen.

Es spricht das Weltenwort,
Das ich durch Sinnestore
In Seelengründe durfte führen:
Erfülle deine Geistestiefen
Mit meinen Weltenweiten,
Zu finden einstens mich in dir.

Het wereldwoord spreekt,
Dat ik door de poorten van de zintuigen
Tot in de grond van mijn ziel kon leiden:
Vervul de diepten van je geest
Met de wijdten van mijn wereld,
Tenslotte vind je mij in  jezelf.

De manier waarop Rudolf Steiner met de taal omgaat in de 52 weekspreuken kan mijns inziens iets zeggen over de toekomst van het spreken. Hij maakt met woorden het verband duidelijk tussen de geestelijke oorsprong van de schepping en die van de mens. Dat is in feite een christelijk principe. Niet een kerkelijk principe, maar iets dat alle mensen aangaat. Als je ervan uitgaat, zoals dat in de antroposofie duidelijk gemaakt wordt, dat we als mensen met elkaar wezenlijk verbonden zijn doordat we aardeburgers zijn, zijn we dus allemaal verbonden met de afbrekende krachten, maar ook met de verjongende, vernieuwende krachten die in de aarde werken. In deze visie draagt het scheppende wereldwoord, de logos, zijn taak geleidelijk aan over aan de mens. Die wordt mede-schepper van de werkelijkheid. De realiteit daarvan kunnen we dagelijks ervaren als we over het milieu horen en over de dingen die mensen elkaar aandoen.

De ‘kleine god op aarde’, zoals Goethe de hoofdpersoon in zijn Faustdrama noemt, zal dus op z’n woorden moeten passen. Zijn woorden hebben een werking en krijgen steeds meer werking.